De basis is simpel: in de eerste kwalificatiesessie (Q1)
moet elke coureur een rondetijd neerzetten die binnen 107% van de snelste tijd
ligt. De belangrijkste reden is veiligheid. Als er enorme snelheidsverschillen
zijn tussen auto’s, kan dat gevaarlijke situaties opleveren. Snellere auto’s
lopen dan constant in op tragere wagens, wat vooral bij inhaalacties risico’s
met zich meebrengt. Zonder deze regel zouden extreem langzame auto’s, of slecht
presterende coureurs, gewoon mee kunnen doen, wat het risico op incidenten
vergroot.
De 107%-regel werd voor het eerst ingevoerd in 1996. In die
tijd waren de verschillen tussen teams veel groter dan nu. Sommige auto’s waren
seconden per ronde langzamer dan de topteams. Dat leidde tot gevaarlijke
situaties én minder spannende races. Daarom besloot de
FIA een minimale
prestatienorm in te voeren. De regel verdween tijdelijk, maar werd in 2011
opnieuw ingevoerd en geldt vandaag de dag nog steeds.