Binnen de
Formule 1 groeit de druk om het motorreglement opnieuw aan te passen – met name
de verdeling van het vermogen van de verbrandingsmotor en de batterij – maar
de FIA lijkt een snelle oplossing voorlopig uit te sluiten. Na de eerste
F1-races
van 2026 klinkt er vanuit coureurs én fans steeds meer kritiek op de huidige
generatie auto’s, waarin het energiemanagement een grote rol speelt. De FIA
greep voor de Grand Prix van Miami al in met kleine aanpassingen, maar dat wordt
vooral gezien als een compromis en niet zozeer als een structurele oplossing.
Volgens velen
ligt de kern van het probleem bij de verdeling tussen elektrisch vermogen en
vermogen van de verbrandingsmotor. De huidige 50/50-verhouding zorgt ervoor dat
coureurs constant bezig zijn met energiebeheer, wat volgens de meeste rijders ten
koste gaat van het racen zelf.
Nikolas Tombazis, hoofd van de single seaters
bij de FIA, erkent dat dit effect al langer bekend was.
“Het klopt dat je
onder een bepaalde verhouding problemen krijgt met energiemanagement. Dat
wisten we vanaf het begin. We hebben geprobeerd die problemen te verzachten”,
wordt hij geciteerd door
Auto, Motor und Sport.
FIA geeft inschattingsfout toe
Toch blijkt
de praktijk anders dan van tevoren verwacht. “De auto’s zijn iets sneller en
de teams hebben meer downforce gevonden dan we hadden verwacht. Daardoor wordt
er tijdens het remmen minder energie teruggewonnen dan we graag zouden zien”,
legt Tombazis uit. Dat versterkt juist het probleem dat de FIA probeerde te
beperken.
Binnen de
paddock wordt daarom steeds vaker gekeken naar een verschuiving richting meer
vermogen uit de verbrandingsmotor. In de praktijk is de beoogde 50/50-verdeling
nu al opgeschoven naar ongeveer 55/45 in het voordeel van de V6-motor, maar voor
een merkbaar verschil zou dat aandeel richting de 60 procent moeten.
De meest voor
de hand liggende manier om dat te bereiken is het verhogen van de brandstofstroom.
Die is momenteel strikt gelimiteerd om efficiëntie te stimuleren, maar vormt nu
juist een beperking. Alleen zit daar een groot probleem: zo’n aanpassing vraagt
om ingrijpende technische wijzigingen. Meer vermogen betekent een zwaardere
belasting van onderdelen, extra koeling en mogelijk zelfs grotere
brandstoftanks — iets waar de huidige auto’s niet op ontworpen zijn
F1-fabrikanten lagen dwars
Daar komt bij
dat de teams en motorfabrikanten zelf verdeeld zijn over het onderwerp. Jan
Monchaux, technisch directeur van de single seaters, bevestigt dat het
onderwerp wel degelijk op tafel lag. “In de gesprekken lag het idee om het
elektrische aandeel te verlagen en meer brandstof toe te staan op tafel. Maar
daarvoor was een supermeerderheid nodig. Die was er niet, dus konden we het
niet doorvoeren”, zegt hij.
Die
verdeeldheid komt volgens Monchaux vooral voort uit eigenbelang. “De één
denkt dat hij er voordeel uit haalt als het verandert, de ander wint races en
wil niets veranderen, en weer een ander zegt dat hij zestien maanden nodig
heeft om een nieuwe motor te ontwikkelen en dat 2027 niet haalbaar is”,
legt hij uit.
Daardoor
lijkt een snelle oplossing voorlopig van tafel. Voor 2027 zullen de technische
reglementen al op korte termijn worden vastgelegd, waardoor de kans klein is
dat er nog grote wijzigingen volgen. De discussie zal daardoor vrijwel zeker
doorschuiven naar 2028. Dit biedt fabrikanten meer tijd om eventuele grote
aanpassingen te maken.